Arm en Rijk

In het thema arm en rijk onderzoeken we een aantal relevante zaken om de beeldvorming van de leerlingen te optimaliseren en eventueel bij te stellen

Levensvragen

1. Waarom maakt ‘geld’  jou niet (of wel) gelukkig?

2. “Wat voor zin heeft het leven als je (ook in Nederland) zo arm bent dat je je kinderen niet op een club kunt doen?”

3. “Een kleine groep mensen is rijk en een grote groep mensen is arm. Dat kan eigenlijk niet.” Leg m.b.v. de waarde “eerlijkheid” of “rechtvaardigheid” uit welke antwoorden jij daarop geeft.

4. “Een bisschop zei eens, dat je brood mag stelen als je echt geen eten hebt.”Leg uit wat jij vindt van voedsel stelen als je geen geld hebt om eten te kopen.

5. “Leg uit wat jij ervan vindt, als iemand cd’s steelt, als diegene wel geld heeft om eten en drinken te kopen?”

6. “Leg uit wat onze verantwoordelijkheid is betreffende de oorzaak en oplossing van armoede in de ‘Derde Wereld’.”

7. Leg uit: “Als wij in het rijke westen iets inleveren voor mensen in arme landen, hoe zorgen we er dan voor dat dit deze mensen ook bereikt?”

8. Geef argumenten voor je mening: “Is arm zijn je eigen schuld, of is het een kwestie van pech hebben (‘noodlot’ of ‘karma’)”

9. Wat zijn een aantal gevolgen/ consequenties, als bedrijven hun fabrieken verplaatsen naar lage lonen landen, of naar ‘Derde Wereld’ landen? 

10. “Hoe kunnen wij hier in het rijke westen gelukkig zijn, als we weten dat er zoveel ellende is in de arme landen? “

11. “Er zijn altijd al arme en rijke mensen geweest. Leg uit hoe ons eigen consumptiegedrag dit juist in stand houdt.” 

12. “Als vroeg of laat, rijken en armen toch allemaal dood gaan;  Wat stelt rijkdom dan eigenlijk voor?”


Begrippen 

bronnen  uit Wikipedia

Lot of noodlot 

is een term die gebruikt wordt om de gedachte uit te drukken dat er een noodzakelijk en onveranderlijk verloop in het leven van een mens plaatsvindt, waarbij de persoon in kwestie niet bij machte is zelf invloed op deze gang van zaken uit te oefenen. 

Karma

Komt uit het Sankriet en is een begrip uit het hindoeïsme en het boeddhisme, dat letterlijk vertaald wordt als 'handeling', 'actie' of 'daad'. In zowel het hindoeïsme als het boeddhisme omvat karma de fysieke en mentale acties van een individu die gevolgen hebben voor het leven en volgende levens door middel van reïncarnatie. In het dagelijks gebruik bedoelt men er vaak mee dat alles wat we doen, denken of zeggen weer ons zelf terugkomt. Karma gaat dan over zowel de daad als over het gevolg dat uit die daad voortkomt. Strikt genomen echter, verwijst karma alleen maar naar het verrichten van daden, niet naar de gevolgen van die daden. Het gevolg van een daad wordt 'vipāka' genoemd.

Karma en zijn gevolg worden gezien als een natuurlijk principe, een wet van "actie en reactie". Er is dus geen God aan het werk die straft of beloont. Een goede daad heeft van nature goede gevolgen, slechte daden hebben van nature slechte gevolgen. Eigenlijk staat de wet van Karman (die het Karma regelt) boven het onderscheid van goed en slecht: dus zonder oordeel daarover. Een betere duiding is daarom dat daden met een bepaalde karakteristiek gevolgen van dezelfde karateristiek veroorzaken.

In de religies die van reïncarnatie uitgaan (boeddhismehindoeïsmejainisme) strekt het begrip karma zich uit over het huidige en alle vroegere en latere levens. Het resultaat van de daden die men nú doet, kan in dít leven óf in een volgend leven terugkomen. Hetgeen ons overkomt is het resultaat van een actie die we in het huidige of een vorig leven uitgevoerd hebben, en we zijn in staat om nieuwe daden te verrichten die het resultaat van oude daden beïnvloedt. Ieder individu is door zijn daden zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, vreugde en pijn. De gehechtheid aan goede zowel als slechte daden houden de cyclus van geboorte, dood en wedergeboorte in stand (samsara). Wanneer men daden uitvoert zonder de gehechtheid aan het gevolg van die daden, dan zijn die daden daardoor gevolgloos. Het bestaande karma werkt dan uit en er komt geen nieuw karma bij. Door ongehechtheid aan het leven in al zijn aspecten zal er daarom geen reïncarnatie meer plaatsvinden. In het boeddhisme is dit het doel om aan het lijden van het leven te ontsnappen. Dit noemt men "uitblussing" (nirvana).

 

Derdewereldproducten

In veel ontwikkelingslanden worden levensmiddelen voor de rijke westerse landen geproduceerd. Op grote plantages werken mensen soms onder schrijnende omstandigheden en tegen een laag loon.Producten zoals koffie, thee, cacao, soja en palmolie komen vaak uit derdewereldlanden. Naast de algemene milieuproblemen van landbouw, kent landbouw in ontwikkelingslanden ook specifieke problemen. Enkele daarvan zijn het kappen van bos voor landbouwgrond, erosie en verlies van biodiversiteit. Soms wordt ook onverantwoord omgegaan met bestrijdingsmiddelen. Daarnaast komen kinderarbeid en slechte arbeidsomstandigheden regelmatig voor.

Derdewereldproducten en milieu
Landbouw belast het milieu door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, meststoffen en water. Ook het energieverbruik kan in de landbouw hoog zijn. In derde wereldlanden komen daar vaak nog een aantal problemen bij.

Bestrijdingsmiddelen
Met name in ontwikkelingslanden gebeuren veel ongelukken met bestrijdingsmiddelen, soms zelfs met dodelijke afloop. Naar schatting zijn er jaarlijks wereldwijd 1 tot 5 miljoen gevallen van vergiftiging met bestrijdingsmiddelen, waarvan ongeveer 20.000 leiden tot de dood. 99 procent van het aantal dodelijke slachtoffers valt in ontwikkelingslanden. Dit komt door onwetendheid en door gebrek aan bescherming van de arbeiders. In sommige landen is gebruik van verouderde, slecht afbreekbare en riskante middelen nog toegestaan, zoals lindaan, endosulfan en paraquat. Hierdoor kan het milieu ter plaatse ernstig vervuild raken.

Ontbossing en verlies van biodiversiteit
In veel derdewereldlanden worden bossen gekapt voor uitbreiding van landbouwgebied. Er blijft steeds minder ruimte over voor wilde dieren en planten waardoor het aantal soorten, de diversiteit, snel af neemt. Dit kan grote gevolgen hebben voor de natuurlijke systemen op aarde. Schone lucht, voedsel, watersystemen en klimaatsystemen zijn allemaal afhankelijk van een grote variatie aan planten en dieren, kortweg biodiversiteit genoemd.

Het kappen van bos leidt ook tot effecten in de omliggende bosgebieden, bijvoorbeeld omdat de leefgebieden van dieren teveel worden verkleind. In de jaren tachtig van de vorige eeuw bleek dat kappen van 6 procent van het regenwoud in het Amazonegebied, de aantasting van 16,5 procent van het woud tot gevolg had.

Verdroging en erosie
In droge gebieden, of voor gewassen die veel water nodig hebben zoals rijst en katoen, wordt vaak extra water aangevoerd. Dit heet irrigatie. Grondwaterstanden kunnen hierdoor sterk dalen, waardoor regionale watertekorten ontstaan. Dit gaat ook ten koste van omliggende bossen en moerassen. Landbouwgrond is gevoelig voor erosie omdat het een deel van het jaar niet beplant is. Grond spoelt dan weg bij hevige regenval, of waait weg als het droog is. In Afrika wordt het productieverlies door erosie geschat op ruim 6 procent van de oogst. De verwachting is dat dit percentage zal toenemen tot 14,5 procent in 2020. Alleen duurzaam bodemgebruik kan erosie beperken.

Eerlijke handel?
De prijzen van agrarische producten op de wereldmarkt zijn met de jaren steeds lager geworden. Rijke landen subsidiëren de export van hun eigen landbouwproducten.Daarnaast eist de wereldmarkt wel dat producten een hoge kwaliteit hebben én veilig zijn. Dit maakt het voor ontwikkelingslanden moeilijk hun producten af te zetten tegen een eerlijke prijs. Veel boeren in ontwikkelingslanden kunnen niet tegen lage kosten produceren en tegelijk aan de vele handelseisen voldoen. Dit maakt het voor grote groepen van de bevolking moeilijk om de armoede te ontstijgen. Honger en ondervoeding kunnen het gevolg zijn.

U kunt zelf iets doen
U kunt bij de aankoop van producten uit ontwikkelingslanden een bijdrage leveren aan een beter milieu en verbetere leefomstandigheden door te letten op keurmerken. Keurmerken geven garanties over de manier waarop producten geteeld en verwerkt zijn, of over eerlijke betaling aan de arbeiders en boeren

Let op keurmerken en labels
Steeds meer (sub)tropische voedingsmiddelen zijn met keurmerk verkrijgbaar. Keurmerken geven garanties over de manier waarop producten geteeld en verwerkt zijn, of over eerlijke betaling aan de arbeiders en boeren. Een onafhankelijke instantie controleert dat. Door te letten op keurmerken als u producten koopt uit ontwikkelingslanden, kunt u een bijdrage leveren aan een beter milieu en verbetere leefomstandigheden. Elk keurmerk heeft eigen eisen opgesteld. Wilt u weten wat een keurmerk (on)betrouwbaar maakt? Kijk eens opKeurmerken en Voedselkeurmerken. Naast keurmerken zijn er ook (informatie)labels (bijvoorbeeld Utz Certified voor koffie), of certificaten die niet herkenbaar zijn voor de consument maar alleen voor de handel gebruikt worden, zoals GlobalGap). Producten zonder keurmerk zijn trouwens soms ook geteeld onder vergaande milieu- of kwaliteitscriteria. Dat is dan niet zichtbaar omdat fabrikanten het niet altijd op de verpakking vermelden.

Biologische producten
Sommige tropische producten zijn biologisch geteeld. Biologische producten zijn herkenbaar aan het EKO-keurmerk, of aan gelijkwaardige buitenlandse keurmerken. De biologische landbouw stelt behoud van milieu, natuur en landschap en het welzijn van dieren voorop. Biologische producten worden daarom geteeld zonder kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen en bevatten geen synthetische toevoegingen. Lees meer hierover op Keurmerk tropische producten.

Fair Trade en Max Havelaar
Fair Trade bevordert eerlijke handel, waardoor een groter deel van de opbrengst bij de boer zelf belandt. De meeste producten van Fair Trade zijn in Nederland te koop onder het keurmerk Max Havelaar. Max Havelaar zorgt ervoor dat de boer een goede prijs voor zijn product krijgt. Daarnaast stelt Max Havelaar eisen aan de rechten van plantagearbeiders; veilige en gezonde arbeidsomstandigheden moeten gewaarborgd zijn. Naast koffie en thee zijn er ook Max Havelaar bananen en sinaasappelen, die dragen het Oké-keurmerk. Lees meer hierover op Keurmerk tropische producten.

Ontwikkeling van de Derde Wereld: Buitenlandse hulp of vrije handel?

De armoede van de Derde Wereld is één van de meest knellende problemen van deze tijd; het veroordeelt miljarden mensen tot ontbering en ellende. Deze armoede heeft ervoor gezorgd dat veel Amerikanen de bevolking van de Derde Wereld willen helpen om humanitaire redenen en om onze eigen handel en nationale veiligheid te vergroten.

De regering van de Verenigde Staten heeft voorzien in meer dan 321 miljard dollar aan hulp na de 2e Wereldoorlog gezien, buitenlandse hulp is dus politiek populair. Behalve humanitaire supporters zijn er ook veel belangengroepen die voor buitenlandse hulp lobbyen. Bijvoorbeeld Amerikaanse boeren, omdat zulke programma’s politiek beschamende voedseloverschotten, veroorzaakt door landbouwsubsidies, helpen vernietigen. Terwijl buitenlandse hulp een politiek succes is, is het een economische en sociale mislukking. Door de vergrote macht van de regering, economische prikkels vernietigend, verliesgevende ondernemingen promotend, en ondoordacht beleid subsidiërend, vergroot buitenlandse hulp de armoede van de Derde Wereld.

Humanitaire hulp

Humanitaire hulp -hulp ontworpen om directe rampen te vermijden – wordt voornamelijk in de vorm van voedselhulp bestemd door de Publieke Wet 480, bekend als het Voedsel voor Vrede-programma. Sinds de instelling hiervan in 1954 hebben de Verenigde Staten zo’n 34 miljard dollar aan voedsel gedistribueerd in de Derde Wereld en voorzien nu in zo’n 1,2 miljard dollar per jaar aan voedseloverdrachten. Voedsel voor Vrede verkleint de overschotten van onze regeringslandbouwprogramma’s, maar heeft eigenlijk de honger in het buitenland op lange termijn vergroot.

- Een probleem met voedselhulp is dat het dumpen van gratis voedsel in de Derde- Wereldlanden de prijzen voor lokale boeren omlaaghaalt, aldus zorgend voor een lagere plaatselijke productie. Dit gebeurde bijvoorbeeld in India, Guatemala en Bangladesh.

- Een tweede groot probleem is dat het de ontvangende landen aanmoedigt om beleid te adopteren dat productie ontmoedigt. Derde-Wereld-regeringen gebruiken voedselhulp om de ergste gevolgen van hun acties te maskeren, ondertussen doorgaand met averechts beleid zoals gedwongen collectivisering en controle van de prijzen op landbouwproducten. Het resultaat is een eeuwigdurende crisis die meer hulp vraagt om voedseltekort te voorkomen. Hierdoor worden de minder ontwikkelde landen  steeds meer afhankelijk van het buitenland.

- Een derde consequentie van regering-tot-regeringvoedselhulp is het vernietigen van effectievere privéhulp.

Deze hulp gaat direct naar de armen – het is een ruil tussen individuen – en vernietigt daarom geen markten door lukraak dumpen en leidt niet naar vernietigend landbouwbeleid. Regeringsvoedselhulp hindert de privé-hulp door het gevoel van morele verantwoordelijkheid tussen burgers van meer welvarende landen te verkleinen. Nog belangrijker is dat regeringshulp veel privé-organisaties “gepolitiseerd” heeft door te voorzien in het grootste gedeelte van het budget, daardoor hun prikkels om efficiënt te zijn, vernietigend. Zonder privé alternatieven zijn de Derde-Wereldlanden snel geneigd openbare hulp te accepteren die de mogelijkheid op toekomstige voedseltekorten vergroten.

Ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp probeert lange-termijngroei van de minder ontwikkelde landen te promoten door grote projecten, door budgettaire en betalingsbalanshulp te geven en door het opzetten van een verscheidenheid aan research en planning. Sinds 1946 hebben de Verenigde Staten meer dan 131 miljard dollar aan ontwikkelingshulp gegeven. Ondanks de schaal van deze internationale overdrachten hebben ze niet geleid tot doorgaande groei. Deze hulp heeft de minder ontwikkelde landen geschaad door in de ontvangende landen de rol van de openbare sector te vergroten.

Ontwikkelingshulp is gebaseerd op het idee dat Derde-Wereldlanden niet groeien door gebrek aan financiële inkomsten. Maar financiën hebben relatief weinig effect op groeicijfers vergeleken met andere factoren.

Volgens P.T. Bauer hangen „economische resultaten af van persoonlijke, culturele, sociale en politieke factoren, zoals vaardigheden van mensen, hun motivatie en normen, hun instituties en het beleid van hun leiders”. Zelfs als financiële inkomsten vitaal zijn voor groei zijn, heeft de Derde Wereld geen gebrek aan middelen om internationaal krediet te verkrijgen.

Net als met voedselhulp politiceert ontwikkelingshulp het economisch leven. Hulp helpt de ambtsdragers om hun macht te vergroten door politieke steun. Volgens economist Doug Bandow „is de tendens van leidende groepen, vooral in maatschappijen waar politieke macht zo belangrijk is, om hulp te gebruiken om hun eigen positie te versterken, hun supporters te belonen, en om oppositie-bewegingen om te kopen of te vernietigen”. Door de politieke concurrentie te begrenzen heeft buitenlandse hulp het potentieel in zich van onnodige markt-georiënteerde hervormingen.

Zelfs hulp die niet wordt gebruikt voor openlijke politieke onderdrukking leidt tot de groei van grote, niet-productieve bureaucraties. Zambia bijvoorbeeld gebruikt 20% van het Bruto Nationaal Product voor een hoge levensstandaard van de overheidsfunctionarissen. Door deze grote bureaucraties voedt ontwikkelingshulp politieke uitbuiting. Er zijn tal van voorbeelden waarbij Derde-Wereld regeringen de heersende elite verrijkten ten koste van de massa. President Sese Seko van Zaïre bijv. gebruikte buitenlands hulpgeld voor de bouw van 11 presidentiële paleizen.

Buitenlandse hulp werd ook gebruikt voor het bouwen van dure hoofdsteden zoals Islamabad en Dodoma en voor het subsidiëren van dure Derde-Wereld luchtvaartmaatschappijen. In sommige van de armste gebieden in Afrika staan regeringsambtenaren bekend als “Wabemi” – mannen van de Mercedes-Benz.

Zelfs als ontwikkelingshulp niet zou leiden tot politieke exploitatie, zou het economische inefficiëntie voeden.

In tegenstelling tot privé-firma’s zijn regeringsprojecten niet onderworpen aan een winst-verliesbalans. Omdat ze buiten de markt opereren hebben regeringsprojecten – het soort dat gefinancierd wordt door buitenlandse hulp – weinig of negatieve betalingscijfers. In veel gevallen ondernemen hulpbureaus zulke projecten omdat de privésector weigert ze te financieren. Buitenlandse hulp kanaliseert de inkomsten van het ontvangende land dus naar onproductieve investeringsgebieden.

Zonder een leidend prijssysteem hebben Derde-Wereldlanden geprobeerd zich te ontwikkelen door eenvoudigweg hetzelfde type onderneming te bouwen dat floreert in meer ontwikkelde landen. Staalfabrieken, aluminiumfabrieken en olieraffinaderijen gesticht met hulpgeld, verrijzen in de Derde Wereld, ondanks het feit dat de markten voor deze producten al verzadigd is. Omdat ze niet kunnen concurreren met meer gevestigde firma’s trekken deze hulpprojecten veel mensen en andere middelen weg van de privésector, zonder bijbehorende baten.

Buitenlandse hulp verspilt niet alleen spaarzame middelen in juist die landen die zich dat het minst kunnen veroorloven, maar het creëert internationale spanningen.

Buitenlandse hulp heeft de regeringen van de Derde Wereld samengebracht tot een hechte eenheid met maar 1 doel: het veiligstellen van meer hulp.

Om dit te bereiken, werkt het beleid van confrontatie het best, heeft de Derde Wereld ondervonden. In hun ogen is de wereld verdeeld tussen rijken en armen, de eerste groep heeft de verplichting om de laatsten te helpen. Het resultaat is een internationaal conflict.

Tenslotte moeten we opmerken dat ontwikkelingshulp onze eigen middelen duidelijk uitput. Veel mensen ondersteunen buitenlandse hulp met de perceptie dat het onze exportindustrieën helpt. In feite staan op de meeste hulppakketten bedingen die het gebruik van Amerikaanse goederen waar mogelijk, eisen.

Omdat buitenlandse hulp Amerikaanse maatschappijen die handelen met de Derde Wereld subsidieert, verplaatst het activa van meer efficiënte firma’s vandaan, daardoor vermindert het onze totale economische potentieel. Hulp steunen in de hoop dat iets ervan misschien in de Verenigde Staten uitgegeven wordt is hetzelfde als een supermarkt die geld weggeeft in de hoop dat de consumenten een gedeelte daarvan zullen uitgeven in die winkel – er is altijd een netto-verlies.

Een andere weg? Het basisprobleem bij beide typen hulp is dat zij de instituties die ontwikkeling verhinderen, versterken terwijl zij de instituties van de Derde Wereld die echte welvaart kunnen brengen verzwakken. Hulp vergroot de rol van de regering en bureaucratie in het economisch leven van de Derde Wereld terwijl het de rol van markten en privè-ondememingen verkleint.

Als we ontwikkelingslanden willen helpen voorspoed te hebben, moeten we een methode vinden die een grotere rol voor instituties zoals de markt, creëert. Eén manier om de Derde Wereldlanden te helpen is door vrije handel. Door onze importbarrières te verlagen, gunnen we privé-sectoren van de Derde Wereld gemakkelijker toegang tot onze markten. Met de grote markten van de Verenigde Staten open voor hun producten, hebben ondernemers de mogelijkheid om nieuwe industrieën te ontwikkelen en oude uit te breiden.

Zoals Lord Bauer schrijft zal het verwijderen van protectionistische barrières meer Derde-Wereldlanden toestaan het succes van landen in het Stille-Oceaanbekken zoals Hong Kong en Singapore, te ervaren. Vrije handel heeft ook het voordeel dat het onze eigen economie helpt. Dit is niet de plaats om het protectionistische gedrag onder de loep te nemen, maar vrije handel zal onze welvaart vergroten met een grote toevloed van diensten en goederen uit het buitenland. Zoals alle vrijwillige ruil is internationale handel een activiteit met een positief saldo; Amerika en de Derde Wereld zullen er beide van profiteren. Zelfs als we de heldhaftige veronderstelling maken dat buitenlandse hulp de Derde-Wereldlanden écht helpt, zou het nog steeds alleen een activiteit zijn met een nulsaldo; het kan alleen het ontvangende land helpen door het gevende land pijn te doen.

Buitenlandse hulp mislukt als ontwikkelingsbeleid omdat het de prikkels van de marktplaats vernietigt en de macht van de heersende elites vergroot. Omdat het de Derde Wereld wegleidt van de vrije markt vergroot het de armoede van de Derde Wereld. Aan de andere kant zal het alternatieve beleid van de vrije handel de privé-sector van de LDC’s een mogelijkheid tot uitbreiding en bloei geven.

Het moet benadrukt worden dat vrije handel alleen, niet alle problemen van de Derde-Wereldarmoede op zal lossen. Vrije handel zal alleen de mogelijkheden van de minder ontwikkelde landen vergroten. Het zal niet de belemmeringen van het regelen en de tussenkomst van de overheid die de Derde-Wereldeconomieën domineert, vernietigen. Die taak kan alleen verricht worden door de mensen van de Derde Wereld zelf. En toch zal het vernietigen van buitenlandse hulp en het opzetten van vrije handel de mensen van de Derde Wereld tenminste aanmoedigen om instituties zoals privé-bezit, rechten en vrije markten te ontwikkelen welke zullen leiden tot groei en welvaart.

John Majenski is student economie aan de Universiteit van Texas in Austin, Amerika.


Consumentengedrag

Consumentengedrag is de beschrijving van hoe mensen kopen, wat ze kopen, waar ze kopen, wanneer ze kopen en waarom ze kopen. Het is daarmee een onderdeel van marketing met duidelijke kruisverbanden met psychologiesociologieantropologie en economie. Het doel van de studie naar consumentengedrag is het besluitvormingsproces rond koop van zowel individuen als groepen te begrijpen. Daarbij probeert het tevens de invloed van familie, vrienden, referentiegroepen en de maatschappij in het algemeen op de koper in kaart te brengen.
 

De klant als autonoom wezen of speelbal?
In de marketing theorieën wordt de klant langs twee kanten benaderd. Enerzijds als übermensch-achtig wezen, en anderzijds als speelbal. Deze is analoog met de psychologische theorieën waar dat de eerste een meer cognitieve is en het tweede meer behavioristisch.De klant als autonoom wezen: De klant is een 'oppermachtig' wezen die zich niet laat beïnvloeden en zoveel mogelijk zijn eigen wil uitoefent. Hier bestaan verschillende modellen over. De bedrijfseconomische modellen waar dat een zekere consumentenrationaliteit is leunen hier aan. Maar er zijn ook marketinggerichte modellen waar dat de klant centraal staat. De klant als speelbal: De speelbal-visie echter stelt dat de verbruiker zich makkelijk laat beïnvloeden door externe factoren. Het is een behavioristische benadering, waar dat met economische externe factoren reclamecampagnes, familie, vrienden, ... mee bedoeld wordt. (Zie ook: Hond van Pavlov)

Verschil met consumentengedrag in economie
Het grootste verschil met de visie op consumentengedrag in de (klassieke) economie is de afwezigheid van volledige rationaliteit. Studies naar consumentengedrag laten zien dat individuen zelden volledig rationeel handelen. Mede door deze inzichten zijn, ook in de economische theorie, concepten als beperkte rationaliteit geaccepteerd.